Berichten

20 Opgroeien in of tussen de arbeidersbuurten

Opgroeien in of tussen de arbeidersbuurten…
Vroeger keek ik als kind erg op tegen de mensen die in de villawijken woonden. Dat moesten wel heel bijzondere mensen zijn. Wij, het arbeiders-milieu (oké, misschien kleine middenstanders in de terminologie van toen) waren toch van een andere orde… Mijn opa peperde dat zijn kinderen continue in met de woorden: “Je bent maar het kind van een eenvoudige schilder!” Hij vergat daarbij even dat deze ‘eenvoudige zelfstandige met vijf kinderen’ wel elk kind een woning cadeau deed als ie het huis uit ging… Zó gemiddeld was dat nu dus ook weer niet, maar dat terzijde. Het werd er bij ons dus ingehamerd “vooral geen kapsones!”. We hadden als eerste in de straat een auto en later een televisie (de hele straat keek bij ons naar De Verrekijker en Pipo de Clown) Ook gingen we elk jaar met het hele gezin twee weken op vakantie in Italië, dus we hadden het écht niet slecht, maar ik voelde me als kind toch een product aan de onderkant van de samenleving. Ik wist niet beter… Opa had blijkbaar veel invloed. We woonden ook in een heel gewone Deventer buurt tussen twee echte volksbuurten in (Rielerwijk en Hof van Colmschate), maar jongens wat heb ik daar een leuke jeugd gehad! M’n moeder wilde altijd graag verhuizen naar een ‘iets betere buurt’ maar pa had nu eenmaal z’n winkeltje met een prachtige grote werkplaats dus die was er niet weg te slaan. Als oudste in een gezin met 7 kids (ma altijd druk met de kleintjes en pa altijd druk met z’n werk) was ik al een uur weg voordat ze het in de gaten hadden. Kattenkwaad uithalen met de andere jongens uit de buurt of voetballen (waar ik trouwens ronduit slecht in was) op ‘de brede stoep’. In een autoband aan een touw over een sloot slingeren op het (verboden) terrein van de Brinkgreven (psychiatrisch ziekenhuis), vissen in de Singel (ook verboden natuurlijk) en in 1963 als negenjarig jongetje over de IJssel lopen (levensgevaarlijke ijsschotsen), rondscheuren (en uit de bocht gevlogen) met het gemotoriseerde invalidewagentje van m’n tante… alle deurknoppen in de straat aan elkaar knopen en dan overal aanbellen… of (de mooiste)… een verse koeievlaai op de stoep voor de deur, krant eroverheen, die aansteken en vervolgens aanbellen…  geweldige herinneringen en allemaal waar gebeurd… Dat alles vonden mijn ouders natuurlijk echt niet goed, maar ik genoot van alle vrijheid. Achteraf vertelde m’n moeder dat ze soms ook wel stiekem moest lachen als er weer eens een boze buurvrouw op de stoep stond met een geweldig verhaal… Juist met een groep zijn dit soort uitdagingen, op een of andere wijze, voor jongeren toch heel aantrekkelijk. Voor mij dus in ieder geval wel. Bij mij in de klas op lagere school zaten geen kinderen van rijke ouders… alleen rijke kinderen! Je leert zelf je plekje te verwerven, ook tussen de ‘schoffies’ of bekend ‘Deventer tuig’ want ook dat waren deels mijn klasgenootjes. Ik heb me daar trouwens ook altijd prima tussen gevoeld hoewel ik er geen onderdeel van uitmaakte en de politie mijn ouders wel eens heeft ingeseind dat ik bij sommigen beter weg kon blijven. Dat deed ik dan vervolgens ook wel, maar op een niet confronterende manier voor die groep, dus geen probleem. Heel vormende ervaringen die me weerbaar maakten! [...]  Verder lezen