138 Winstmaximalisatie in het tijdperk van AI: een recept voor maatschappelijke ontwrichting?
WINSTMAXIMALISATIE IN HET TIJDPERK VAN AI: EEN RECEPT VOOR MAATSCHAPPELIJKE ONTWRICHTING?
In eerdere blogs (nrs. 130 t/m 136) heb ik stilgestaan bij de impact van kunstmatige intelligentie op onze samenleving – van technologische risico’s tot sluimerende machtsverschuivingen. Steeds stond dezelfde vraag centraal: wie profiteert van deze technologie, en onder welke voorwaarden? Ik onderzocht hoe kapitaalstructuren en economische prikkels onze omgang met AI sturen. In deze blog probeer ik daar een iets andere lens op te zetten. Niet met nóg meer technische of economische analyse, maar met een scherpere blik op iets dat vaak tussen de regels door sluipt: de manier waarop marktlogica (winst-drive) steeds vaker de toon zet bij het ontwikkelen en toepassen van AI.
Op een heldere ochtend in mei 2023 nam Geoffrey Hinton – ‘de Godfather van AI’, zoals hij vaak wordt genoemd – een opmerkelijk besluit. Hij stapte op bij Google. Niet vanwege een conflict, maar omdat hij zich vrijer wilde uitspreken over de risico’s van kunstmatige intelligentie. Hinton, die eerder de Turing Award ontving en later zelfs een Nobelprijs voor Natuurkunde, waarschuwde openlijk: deze systemen worden misschien sneller slimmer dan wij, en dan verliezen we de controle. Hij sprak niet in doemscenario’s, maar was wel duidelijk over de onzekerheid die geavanceerde AI met zich meebrengt. In dit interview-filmpje vat Hinton zijn zorgen kernachtig samen.
Maar daar wil ik het in deze blog niet opnieuw over hebben. De directe gevaren van AI – systemen die ons mogelijk te slim af zijn – heb ik al besproken. Wat me nu meer zorgen baart, is iets minder spectaculairs, maar des te hardnekkiger: de manier waarop AI vrijwel automatisch in een logica van winstmaximalisatie wordt getrokken. Niet de technologie zelf is het grootste risico, maar het systeem waarin die technologie moet opereren – een systeem waarin commerciële belangen vaak zwaarder wegen dan publieke waarden. Hinton’s waarschuwing dat technologische kracht vaak onderworpen wordt aan die marktlogica, waarbij publieke regulering de dupe wordt is toch een punt van zorg. Oftewel ‘kort door de bocht’; zodra er “geld te halen is”, verliest publieke regulering het van commerciële belangen. Zo riskeren we dat AI wordt ingezet voor winst, zonder democratische of ethische borging. Blog 141 zal de waarde van Hinton’s waarschuwing nog spiegelen aan de mening van andere Nobelprijswinnaars die in dit veld actief zijn.
De stille overname van het publieke domein
In de afgelopen decennia is het marktdenken steeds verder binnengedrongen in sectoren die van oudsher een publieke taak hebben: zorg, onderwijs, woningbouw, energie. De heersende gedachte: concurrentie leidt tot efficiëntie, en efficiëntie leidt tot betere resultaten. Maar die aanname rammelt steeds harder. Woningcorporaties gaan de vastgoedmarkt op als speculanten, zorginstellingen rekenen per verrichting of bed, en universiteiten lijken soms meer op KPI-fabrieken dan op plekken van kritisch denken. Wat ooit publieke waarden waren, zijn steeds vaker meetbare targets geworden.
Dat betekent natuurlijk niet dat marktdenken per definitie verkeerd is. Het heeft zonder meer innovatie gebracht en kan middelen doeltreffend inzetten – kijk maar naar technologische doorbraken in de private sector. Maar als die marktlogica nergens wordt begrensd, ontstaan er snel ongewenste neveneffecten. AI versnelt die trend. Bedrijven die deze technologie ontwikkelen, worden vaak gestuurd door aandeelhouders, en die kijken nu eenmaal naar rendement. AI-modellen worden ingezet om alles te optimaliseren – van logistiek tot sollicitatieprocedures tot risicobeoordeling in de zorg. Maar waar optimaliseren we eigenlijk voor? Voor efficiëntie en winst. Niet voor rechtvaardigheid. Niet voor menselijkheid. Hinton’s waarschuwing blijft hangen: zodra er geld te verdienen valt, raken publieke belangen snel uit beeld.
En ja, er zijn initiatieven die een andere koers proberen te varen. Sommige techbedrijven hebben ethische adviesraden of profileren zich als ‘B Corp’ met maatschappelijke doelstellingen. Dat is hoopgevend, maar zolang het dominante spel wordt gespeeld op het bord van winstmaximalisatie, blijven dat uitzonderingen. AI versterkt juist deze dynamiek: wie de technologie beheerst, heeft de macht – en die macht wordt meestal gekocht, niet verdiend (zie blogs 133 Kapitaal is een Programma, 134 De Economie van Morgen, 135 Kapitaal: Tijd voor herdefinitie en 136 Tot slot: Kapitaal in drie bedrijven: Macht, Moraal en Machine).
Ongelijkheid als systeemuitkomst
Zodra AI grootschalig wordt ingezet binnen een systeem dat vooral draait om winst, ontstaan er twee fundamentele risico’s. Allereerst: schaalvoordeel leidt tot machtsconcentratie. Big Tech wordt poortwachter van toegang tot kennis, zorg, werk. En daarnaast: AI vervangt werk – niet alleen het routinematige, laagbetaalde werk, maar ook steeds vaker hoogopgeleide functies die ooit als ‘onvervangbaar menselijk’ golden. Dat maakt de impact groter dan bij eerdere technologische revoluties, zoals in de jaren tachtig. Toen verdwenen er banen, maar kwamen er ook nieuwe functies voor in de plaats. Die balans lijkt nu schever te worden. De AI-systemen nemen werk over, maar creëren nauwelijks nieuwe kansen voor de mensen die dat werk verliezen. En de winst? Die verdwijnt niet naar de samenleving, maar naar aandeelhouders en techbedrijven.
Het gevolg is een snel toenemende ongelijkheid – niet alleen tussen rijk en arm, maar ook tussen degenen die AI beheersen en degenen die erdoor worden beheerst. Thomas Piketty wees er al op: als kapitaal sneller groeit dan de economie, neemt ongelijkheid structureel toe. AI voegt daar nog een versneller aan toe.
Hinton is er van overtuigd dat AI autonoom wordt, maar stelt ook de urgente vraag: wie bestuurt AI op weg naar die autonomie? Het pijnlijke antwoord ligt voor de hand: degenen die er financieel het meeste baat bij hebben.
Democratie op achterstand
Marktmechanismen functioneren alleen binnen duidelijke maatschappelijke kaders, maar die kaders ontbreken steeds vaker. Democratische instellingen lopen structureel achter op de snelheid van technologische en economische ontwikkelingen. Terwijl parlementen hooguit debatteren over basisprincipes inzake AI-wetgeving, hebben multinationals hun modellen al wereldwijd uitgerold. Regelgevers hebben geen toegang tot onderliggende data of algoritmen. Transparantie ontbreekt, verantwoording evenzeer.
Maar het gaat hier niet alleen om bureaucratische traagheid. Overheden zijn zelden proactief als het gaat om technologische risico’s – ze proberen eerder achteraf te repareren wat op grote schaal al werkelijkheid is geworden. In een wereld waarin innovatie exponentieel versnelt, is dat simpelweg onverantwoord. We hebben beleid nodig dat vóóruitdenkt. Dat gevaren benoemt voordat ze zich manifesteren, ook als die nog lastig te kwantificeren zijn. Dat vraagt om politieke moed, langetermijnvisie en de bereidheid om even uit de schaduw van de verkiezingscyclus te stappen. En het vraagt om een breed publiek gesprek. Niet alleen in parlementaire commissies, maar ook in kranten, op straat, in buurthuizen. Zolang het debat blijft hangen in ‘punten en komma’s’, blijft de essentie buiten beeld.
Dat bestuurlijke vacuüm heeft een prijs. Het creëert een asymmetrie: bedrijven profileren burgers tot in de kleinste gedragsdetails, terwijl diezelfde burgers nauwelijks zicht hebben op hoe dat gebeurt – laat staan dat ze er iets aan kunnen veranderen. Als AI wordt ingezet om beleid te optimaliseren voor winst in plaats van publieke waarde, dan verliest de democratie haar kern. Namelijk: dat burgers, via hun vertegenwoordigers, invloed hebben op hoe de samenleving wordt ingericht. Als die hefboom wegvalt, verandert niet alleen de verhouding tussen burger en overheid – dan verandert het hele idee van democratie.
Markten kunnen publieke waarden niet garanderen
Laten we een hardnekkige mythe onder ogen zien: markten creëren niet vanzelf maatschappelijke waarde. Ze sturen op ruilwaarde, niet op gebruikswaarde. En dat verschil is essentieel. Zorg voor kwetsbaren, gelijke toegang tot goed onderwijs, bescherming van natuur – dit soort waarden leveren zelden winst op. Ze bestaan bij gratie van wetgeving, publieke investeringen en gedeeld verantwoordelijkheidsgevoel. AI maakt die scheidslijn nog scherper. Technologie stelt bedrijven in staat om gedrag te sturen tot op individueel niveau: verleidingen te voeden, voorkeuren te modelleren, zelfs emotionele reacties te voorspellen. Vaak niet om mensen te versterken, maar om te verkopen. Of te binden. Of gewoon: om meer data te verzamelen. Deze technologie dient dus vaak winst, niet emancipatie, waardoor zelfs relaties, identiteit en gezondheid tot marktvraagstukken verworden.
Ja, er zijn initiatieven als impact investing en sociale ondernemingen die proberen het anders te doen. En onder bepaalde voorwaarden – met stevige kaders en toezicht – kan winst samengaan met publieke waarde. Maar zolang AI op grote schaal wordt ingezet zónder die waarborgen, blijft het risico dat deze technologie méér afbreekt dan opbouwt. De kernvraag is dus niet of markten waarde kunnen creëren. Die vraag is al lang beantwoord. De echte vraag is: kunnen ze de waarden waarborgen die niet in euro’s zijn uit te drukken? En eerlijk gezegd vrees ik dat daar – in het huidige systeem – nog te weinig aandacht voor is.
Internationale voorbeelden en alternatieven
Er zijn gelukkig ook plekken waar het anders kan. In Scandinavië zie je hoe publieke instellingen samenwerken rond coöperatieve data-infrastructuren. Daar wordt AI niet ingezet voor winst, maar voor maatschappelijke doelen: beter onderwijs, toegankelijke zorg, effectief klimaatbeleid. In Duitsland zien we familiebedrijven – de Mittelstand – die winst combineren met maatschappelijke verantwoordelijkheid en betrokkenheid van werknemers. En in Taiwan wordt AI actief ingezet om burgerparticipatie te versterken. Transparantie en publieke controle staan daar centraal, met technologie die de democratie dient in plaats van omgekeerd.
Zouden we daar in Nederland iets van kunnen leren? Ik denk het wel. Waarom geen publieke data-infrastructuur, gericht op collectieve doelen als duurzaamheid of zorg? Waarom geen burgerpanels die meepraten over de ethische grenzen van AI? Het vraagt lef. Het vraagt visie. Maar het is niet ondenkbaar. Het vraagt ook investeringen in publieke systemen, wetgeving die transparantie afdwingt en een debat dat niet blijft hangen in vakjargon. Technologie is geen natuurkracht. Het is een politieke keuze – en dus een verantwoordelijkheid.
Ethische reflectie: wie is verantwoordelijk?
Een ongemakkelijke, maar noodzakelijke vraag: kunnen organisaties moreel opereren als winst hun enige doel is? Mijn gevoel zegt: nee. Zodra winstmaximalisatie de enige drijfveer is, raken andere waarden snel op de achtergrond. Niet per se uit kwade wil – maar omdat het systeem zo werkt. Zelfs goedbedoelende mensen binnen zulke structuren worden gedwongen tot keuzes die ze, los van hun rol, nooit zouden verdedigen.
Dit is wat Hannah Arendt bedoelde met ‘banaliteit van het kwaad’. Niet het extreme, maar het structurele dat mensen moreel uitholt. Vooral juist ook de minder sterke persoonlijkheden volgen dan binnen hun context de geaccepteerde ‘waarheid en gedicteerde regels’ waartegen ze vooral niet in opstand willen komen… Misschien mag ik ze wel ‘goedwillende robotjes’ noemen? En dat kun je hen nauwelijks kwalijk nemen. Het systeem maakt dat ze dingen doen die ze los van dat systeem nooit zouden doen. In een AI-gedreven economie zonder moreel kompas groeit dat risico alleen maar verder.
AI zelf kent (nog) geen schaamte, geen empathie, geen moreel besef. Maar we werken ondertussen wel aan systemen die menselijke waarden moeten weerspiegelen – via value alignment, ethische commissies, open-sourceplatforms. Dat is hoopvol. Maar zolang het grotere kader gericht blijft op winst, en niet op waarden als rechtvaardigheid of zorg, is de impact van die inspanningen beperkt. We missen dan het kompas dat richting geeft.
Conclusie: tijd voor breuk met de marktlogica
We staan op een kantelpunt. AI biedt enorme mogelijkheden, maar alleen als we het durven los te trekken uit het stramien van winstmaximalisatie. Organisaties die publieke waarde willen leveren, moeten verantwoording afleggen aan burgers – niet alleen aan aandeelhouders. Dat vraagt om andere vormen van bestuur, andere prikkels, en een ander idee van wat vooruitgang is.
De grenzen van marktwerking zijn bereikt. De gedachte dat winst altijd gelijkstaat aan maatschappelijke vooruitgang is een illusie die we niet langer kunnen volhouden. In het AI-tijdperk is dit geen filosofische discussie meer, maar een praktische kwestie van maatschappelijk voortbestaan. Daarom is een breed publiek gesprek nodig: in de media, in de Kamer, op straat. Beleid moet durven vooruitlopen, niet achteraf corrigeren. Anders wordt technologie geen hulpmiddel, maar een machtsmiddel – en raken we stukje bij beetje kwijt wat ons mens maakt.
De vraag is niet óf we breken met winstmaximalisatie als leidend principe, maar hoe snel we dat durven te doen, voordat de systemen ons inhalen en die keuze niet eens meer hebben? We worden dan niet langer geleid door ons democratisch gekozen bestuur, maar gedicteerd door World-Wide-Big-Tech.
Jeroen Teelen
25 juli 2025

Plaats een Reactie
Meepraten?Draag gerust bij!