174 De Infrastructuur van Waarheid – deel 2/3: Toetsbaar versus niet-toetsbaar…
De Infrastructuur van Waarheid – deel 2/3
Waarheid? Toetsbaar versus niet-toetsbaar…
Waarom sommige waarheden publieke norm kunnen zijn – en andere per definitie niet
Aanleiding
In deel 1 zagen we dat absolute, contextloze waarheid voor ons niet operationeel beschikbaar is. We werken met modellen, metingen, taal en instituties. Waarheid is daarmee relationeel: ze ontstaat binnen een infrastructuur van waarneming, theorie en macht.
De klassieke waarheidstheorieën — correspondentie, coherentie, pragmatisme, consensus, relativisme, scepticisme— blijken stuk voor stuk bruikbaar binnen hun eigen domein, maar worden misleidend zodra we er één tot enige maatstaf van verheffen in een democratie. Dat is dus eveneens geen werkbare uitweg. Die conclusie is misschien enigszins bevrijdend, maar roept meteen natuurlijk de vervolgvraag op, die politiek, wetenschappelijk én maatschappelijk cruciaal is:
Welke waarheidsclaims kunnen in een democratie dienen als publieke norm – en welke per definitie niet?
Veel maatschappelijke conflicten ontstaan niet omdat mensen “dom” zijn of “feiten weigeren te accepteren”, maar omdat verschillende soorten waarheid door elkaar worden gehaald en zich dus in een verkeerde context willen doen gelden.
- een religieuze waarheid wordt behandeld alsof het een empirisch feit is
- Neurowetenschap als reductie van religie tot illusie
- Een descriptieve verklaring (hoe religieus denken in het brein ontstaat) wordt gebruikt om normatief te zeggen: religie is dus onwaar, irrationeel of inferieur.
- een persoonlijke ervaring wordt gepresenteerd als feit of norm
- een wetenschappelijke bevinding wordt weggezet als “slechts een mening” of ideologie (soms zelfs door religieuzen ook aangeduid al religie)
Om dat te ontwarren, moeten we één fundamenteel onderscheid scherp krijgen: toetsbaar versus niet-toetsbaar.
Dit is dus geen aanval op geloof of ideologie, maar een nuchtere analyse van wat werkt voor het collectief in een pluriforme samenleving als de onze.
I. De fundamentele scheiding
Stel:
- een ouder houdt zijn kind thuis bij een les over genderdiversiteit
- een orthodox christelijke of islamitische school weigert evolutietheorie te onderwijzen
- een Jehova’s getuige wijst een bloedtransfusie af voor zijn stervende kind van 8 jaar
Dit zijn botsingen tussen twee typen waarheid die nog steeds gebeuren en waar we als samenleving dus structureel mee worstelen.
Toetsbare waarheid
Dit zijn claims die:
-
Falsifieerbaar zijn
Er bestaat een denkbare observatie of test die de claim kan weerleggen (de claim is dus niet “waterdicht” geformuleerd). -
Reproduceerbaar zijn
Onafhankelijke anderen kunnen – met dezelfde methode – in principe vergelijkbare uitkomsten krijgen. -
Controleerbaar zijn (intersubjectief)
De claim kan door derden worden nagegaan op basis van data, meetprotocollen of expliciete procedure (dus niet afhankelijk van “geloof me maar”). -
Voorspellende of toetsbare consequenties hebben
De claim levert verwachtingen op die je ook vooruit kunt checken (niet alleen achteraf passend maken). -
Persoons-onafhankelijk vastgesteld kunnen worden
De geldigheid hangt niet af van wie het zegt, maar van wat je kunt meten, herhalen en toetsen.
Korte uitleg (abstracte termen):
- Falsifieerbaar: er is een denkbare observatie die de claim onderuit haalt.
- Reproduceerbaar: anderen kunnen – met dezelfde methode – in principe vergelijkbare uitkomsten krijgen.
- Voorspellende waarde: het model zegt niet alleen “achteraf”, maar ook “vooruit” iets dat je kunt controleren.
Voorbeelden:
- “Water kookt bij 100°C op zeeniveau.”
- “Roken verhoogt het risico op longkanker.”
- “CO₂ houdt warmte vast in de atmosfeer.”
- “Evolutie verklaart biodiversiteit beter dan alternatieve modellen.”
Essentieel:
Toetsbare waarheid is zelden (alleen in de wiskunde) absoluut, maar wél corrigeerbaar—en precies dáárin zit haar betrouwbaarheid.
Niet-toetsbare waarheid
Dit zijn claims die:
-
Niet falsifieerbaar zijn
Er bestaat geen denkbare observatie of test die de claim kan weerleggen (de claim is “waterdicht” of verschuift bij kritiek van vorm/uitleg). -
Niet reproduceerbaar zijn (niet intersubjectief herhaalbaar)
De claim kan niet door onafhankelijke derden onder vergelijkbare omstandigheden worden gecontroleerd of herhaald, behalve door de bron of het kader te accepteren. -
Niet controleerbaar zijn buiten autoriteit of beleving
De rechtvaardiging rust primair op openbaring, traditie, ideologie, identiteit of persoonlijke ervaring—zonder externe, controleerbare brug. -
Geen toetsbare consequenties hebben buiten het eigen interpretatiekader
De claim levert geen verwachtingen op die als test kunnen fungeren voor buitenstaanders (hoogstens achteraf-interpretatie). -
Persoons- of groepsafhankelijk zijn
De geldigheid hangt af van wie spreekt, tot welke groep men behoort, of welk gesloten kader men accepteert.
Essentieel:
Tegenbewijs wordt niet verwerkt maar hervertaald als bevestiging (“als je het ontkent, bewijst dat juist dat…”), waardoor correctie structureel onmogelijk wordt. Immuun dus voor kritiek.
Voorbeelden:
- “God wil dat wij X doen.”
- “Het kapitalisme is intrinsiek verderfelijk.”
- “Mijn ervaring als [groep] is de waarheid.”
- “De elite zit in een wereldwijd complot.”
Niet-toetsbaar betekent niet “zinloos” of “onwaar”, maar: niet van hetzelfde type als empirische claims—en daarom ongeschikt als empirische legitimatie voor publiek beleid.
Deze uitspraken kunnen diep betekenisvol zijn. Ze geven identiteit, troost, richting. Maar in een pluriforme democratie zijn ze per definitie ongeschikt als universele publieke norm, omdat er geen neutraal criterium is om tussen concurrerende niet-toetsbare waarheden te kiezen.
Het cruciale onderscheid
Dit is geen morele hiërarchie (“hoog/laag”), maar een functioneel onderscheid: je kunt geen brug, zorgstelsel of rechtsstaat bouwen op uitspraken die niet gezamenlijk toetsbaar zijn.
Een schroevendraaier is niet “beter” dan een hamer – ze hebben verschillende functies. Voor het indraaien van een schroef is een schroevendraaier praktischer. Context bepaalt geschiktheid.
Hetzelfde geldt voor waarheid:
- Technologie: toetsbare waarheid (anders stort de brug in)
- Zingeving: religieuze/filosofische waarheid (wetenschap zegt niet waarom je bestaat)
- Gemeenschap: gedeelde verhalen (rituelen, tradities)
- Publiek beleid: toetsbare waarheid (moet werken voor iedereen)
II. Was dit onderscheid vroeger minder urgent? Wat is er veranderd?
In een homogeen dorp – één religie, één traditie, één autoriteit – kon een niet-toetsbare waarheid min of meer functioneren als publieke norm. De priester zei wat waar was, en de rest volgde. Er waren weinig botsende waarheidsregimes.
In een moderne democratie is dat radicaal anders. We leven naast elkaar met:
- verschillende religies
- verschillende ideologieën
- verschillende identiteiten
- verschillende ervaringen
- verschillende informatie-ecosystemen
Als iedereen zijn eigen niet-toetsbare waarheid als norm wil opleggen, krijg je geen debat maar botsende stammen. (Jihad, inquisitie, Noord-Ierland, etc…)
Wiens niet-toetsbare waarheid zou dan gelden?
- Die van de marxist die zegt “de theorie kan niet falen”?
- Die van de complotdenker met “de elite liegt altijd”?
- Die van de activist met “mijn identiteit ís de waarheid”?
- Die van de christen die zegt “Gods geboden zijn absoluut”?
- Die van de moslim die zegt “de Sharia moet gelden”?
Er is geen neutrale manier om tussen deze claims te kiezen. Je moet geloven, of je gelooft niet. Er is geen scheidsrechter (dus ook de God niet die de gelovige claimt, want dat is een claim binnen het eigen systeem) – tenzij je terugvalt op macht of meerderheidsstemming, en dat leidt tot onderdrukking van andersdenkenden (Theocratie).
Daarom verschuift publieke waarheid in moderne samenlevingen vrijwel onvermijdelijk naar toetsbare waarheid. Niet omdat die “moreel beter” zou zijn, maar omdat het de enige vorm van waarheid is:
- waarover mensen met uiteenlopende overtuigingen het in principe eens kunnen worden
- die intersubjectief controleerbaar is
- die corrigeerbaar blijft, ongeacht wie tijdelijk de macht heeft
III. Wetenschap als prototype van toetsbare waarheid
Wetenschap is het meest ontwikkelde systeem van toetsbare waarheid. Daarmee is ze geen bezitster van “de” waarheid, maar wel de beste bron voor publieke waarheid in een pluriforme samenleving. Zie ook blog 74: De waarde van wetenschap: Meer dan een mening!
Vier kernkenmerken zijn cruciaal:
1. Falsifieerbaarheid
Een wetenschappelijke claim moet in principe weerlegd kunnen worden.
- “De aarde is plat” is wetenschappelijk in deze zin: de stelling is testbaar en weerlegbaar (en inderdaad weerlegd)
- “God bestaat” is niet-wetenschappelijk: het is niet testbaar, en dus noch bewijsbaar noch weerlegbaar (Agnostisch)
Concreet voorbeeld – Evolutietheorie:
- Voorspelling: als evolutie waar is, vinden we tussenvormen in het fossielenrecord
- Toets: opgravingen in verschillende lagen
- Resultaat: fossielen als Archaeopteryx (vogel-reptiel overgang), Tiktaalik (vis-landdier overgang)
- Falsifieerbaar: als we moderne konijnen in precambrische lagen zouden vinden, zou dat het model onderuithalen
Dit is geen vrijblijvende abstractie, maar een werkhypothese met directe toepassingen: strategieën tegen (antibiotica-)resistentie en het ontwerp van nieuwe therapeutica leunen op precies dit mechanisme. Juist omdat de theorie herhaaldelijk toetsbaar is gebleken en telkens bruikbare voorspellingen oplevert, behoort zij tot de best onderbouwde fundamenten van de moderne wetenschap.
Wie haar bij voorbaat verwerpt—op grond van dogma of autoriteit—zonder tegenbewijs, zonder alternatief model met vergelijkbare voorspellende kracht, en zonder toetsbare kritiek, neemt geen kritisch standpunt in maar verlaat de spelregels van empirische kennis. Dat is epistemisch vergelijkbaar met het ontkennen van elementaire, breed getoetste kennis zonder onderbouwing. Wellicht prima hanteerbaar als levensbeschouwing, maar niet als kennisclaim over de fysieke werkelijkheid.
2. Reproduceerbaarheid
Wat één onderzoeker vindt, moet een ander onafhankelijk kunnen controleren. Onreproduceerbare resultaten tellen niet mee als solide basis voor kennis.
Voorbeeld – CERN deeltjesversneller:
- Higgs boson voorspeld door theorie (1964)
- Experiment in Genève vindt het (2012)
- Onafhankelijk bevestigd door andere teams
- Nobelprijs toegekend (2013)
Dat maakt wetenschap onafhankelijker van autoriteit: niet de persoon telt, maar de methode en de data.
Contra-voorbeeld – Religieuze openbaring:
- Paulus ziet Jezus op weg naar Damascus
- Niet reproduceerbaar
- Anderen kunnen het niet onafhankelijk testen
- Geloven of niet geloven is enige optie
Daar telt niet de methode, maar het gezag van de bron — geloof is vereist, toetsing onmogelijk.
3. Voorlopigheid
Wetenschappelijke kennis is altijd voorlopig: het beste model dat we nu hebben. Nieuwe data kunnen het aanscherpen of vervangen.
- Newton werkte uitstekend voor alledaagse snelheden
- Einstein verfijnde dat model voor hoge snelheden en sterke zwaartekracht
- Newton werd niet “fout”, maar incompleet. Het model bleef bruikbaar binnen zijn domein
Deze voorlopigheid is geen zwakte, maar juist de bron van betrouwbaarheid: wetenschap bouwt in op de mogelijkheid van vergissing.
Contra-voorbeeld – Religieuze dogma’s:
- Claimen absolute, tijdloze waarheid
- “Wat God zegt is waar, punt”
- Geen bijstelling mogelijk
- Aanpassen = ketterij
Waar wetenschap betrouwbaarheid ontleent aan corrigeerbaarheid, ontlenen dogma’s gezag juist aan onveranderlijkheid.
4. Voorspellende waarde
Wetenschappelijke modellen voorspellen verschijnselen die we nog niet kennen – en die voorspellingen blijken vaak te kloppen.
Voorbeelden:
- GPS-systemen werken omdat we relativistische effecten meerekenen
- Zonsverduisteringen worden zeer nauwkeurig voorspeld (tot op seconden)
- Nieuwe elementen uit periodiek systeem werden voorspeld voordat ze werden gevonden
- Medische behandelingen worden gekozen op basis van statistisch aantoonbare effecten
- Klimaatmodellen bleken historisch in veel gevallen opmerkelijk accuraat in temperatuurprojecties, zeker wanneer je corrigeert voor de daadwerkelijk gerealiseerde uitstoot
Niet omdat we erin geloven werken ze, maar omdat ze werken geloven we erin.
Contra-voorbeelden (niet-toetsbare waarheden zonder robuuste voorspellende kracht):
- “Bidden geneest” levert in gecontroleerde studies geen reproduceerbare medische winst; in de STEP-studie was er geen voordeel van voorbede, terwijl de groep die zeker wist dat er voor hen gebeden werd zelfs méér complicaties rapporteerde
- Ideologische “wetmatigheden” die zich immuniseren tegen tegenbewijs (“omstandigheden nog niet rijp”, “verraad”, “niet zuiver toegepast”)
- QAnon-voorspellingen over concrete data bleken onbetrouwbaar en werden achteraf hergeïnterpreteerd
In al deze gevallen ontbreekt de toetsende kracht van voorspelling: wat niet werkt, wordt niet weerlegd maar herschreven.
Essentieel: Alles wat technisch functioneert – van bruggen en MRI-scanners tot vliegtuigen en smartphones – steunt op modellen die toetsbaar, reproduceerbaar en voorspellend zijn. Niet omdat we erin “geloven”, maar omdat ze in de praktijk standhouden.
IV. Prototypes van niet-toetsbare waarheid
Niet-toetsbare waarheden hebben een andere functie. Ze zijn dus niet nutteloos per definitie, maar ánders nuttig.
A. Religieuze waarheid
Typische kenmerken:
- Normatief, niet descriptief (zegt hoe het hoort, niet wat het is)
- Identiteitsvormend (bepaalt wie “wij” zijn)
- Gebaseerd op openbaring of traditie
- Absoluut binnen de eigen gemeenschap
Religieuze waarheid functioneert binnen een gedeeld geloofskader; buiten dat kader ontbreekt elke neutrale toetssteen.
Binnen één traditie kunnen claims zeer coherent zijn en zorgen voor een goed gestroomlijnde en gedisciplineerde gemeenschap met duidelijke normen en waarden. Geen verrassingen, maar duidelijkheid voor eenieder. Maar zodra verschillende religies of levensbeschouwingen elkaar ontmoeten, ontbreekt een neutraal, gedeeld criterium om te bepalen welke openbaring ook publieke norm zou moeten zijn.
Waarom dit in pre-moderne wereld werkte:
- Homogene gemeenschappen (iedereen geloofde hetzelfde)
- Verificatie praktisch onmogelijk (geen toegang tot kennis)
- Autoriteit was overlevingsstrategie
- Weinig alternatieven beschikbaar
Waarom het nu problematisch is:
- Pluriforme samenleving (verschillende geloven naast elkaar)
- Kennis toegankelijk
- Welke religieuze waarheid? Christelijk? Islamitisch? Orthodox-joods?
- Geen neutrale manier om te kiezen
B. Ideologische absolutismen
Structuur vergelijkbaar met religieuze systemen:
- Centrale leer fungeert als beslissend kader
- De wetenschap is nog niet zo ver
- Tegenvoorbeelden worden wegverklaard (“niet zuiver toegepast”, “maatschappij was nog niet rijp”)
- Theorie is minder corrigeerbaar dan in wetenschap
Voorbeeld – Marxisme (als absolutisme):
- Claim: “wetenschappelijk socialisme”
- Maar: sterke historische claims (bijv. onvermijdelijke ineenstorting op termijn) bleken geen harde wetmatigheden
- Immuniseringsreflex ligt op de loer: werkelijkheid moet zich aanpassen aan de theorie
Zulke ideologieën gedragen zich feitelijk als seculiere religies.
Waar wetenschap kritiek inbouwt als mechanisme, bouwen deze systemen juist immuniteit tegen kritiek in – niet toetsing, maar trouw is de norm. Epistemologische geslotenheid maakt van overtuiging een fort, ontoegankelijk voor correctie.
C. Complottheorieën
Patroon:
- Kernovertuiging: “zij liegen allemaal”
- Elk tegenbewijs wordt ingepast als nieuw bewijs voor het complot
- De theorie is niet falsifieerbaar
- Sterk groeps- en identiteitsvormend
Voorbeeld – QAnon:
- Trump zou terugkeren op specifieke data
- Data verstreken → niet “theorie fout” maar “plannen veranderd”
- “Vertrouw het plan”
- Immuniseringsstrategie tegen realiteit
De methode lijkt sterk op religieus fundamentalisme, ongeacht de inhoud.
Complottheorieën draaien de toetslogica om: weerlegging bevestigt het vermoeden, en afwezig bewijs wordt juist bewijs voor het verbergen ervan.
D. Identitaire waarheidsclaims
Persoonlijke of groepsgebonden ervaringen zijn essentieel om onrecht en blinde vlekken zichtbaar te maken. Maar:
- als ervaring wordt opgehoogd tot universele waarheid
- en elke tegenspraak wordt gezien als ontkenning van het bestaan van die groep
dan verdwijnt opnieuw de mogelijkheid van een gedeeld toetsingskader
Belangrijke nuance: Ervaring is vaak geen eindpunt van waarheid, maar een startpunt van kennis.
Een ervaring kan legitiem zijn als:
- signaal dat het systeem iets mist
- hypothese die onderzoek en beleid triggert
- correctie van blinde vlekken in dominante perspectieven
Maar zodra ervaring een onbetwistbare beleidsnorm wordt, verdwijnt de ruimte voor: pluraliteit van ervaringen, afweging van belangen, en toetsing op consequenties.
Voorbeeld:
- Transgender-persoon A: “Ik ervaar genderdysforie als existentiële pijn”
- Transgender-persoon B: “Ik ervaar mijn trans-zijn als bevrijding”
Beide ervaringen waar voor die personen
Maar: welke dicteert beleid voor iedereen?
Waar ervaring geen uitnodiging tot onderzoek is, maar eindpunt van waarheid, verdwijnt het gedeelde kader waarin pluraliteit, toetsing en correctie mogelijk zijn.
E. Commerciële “waarheden”
Subtieler, maar verwant: veel marketingclaims opereren als waarheidsnarratieven zonder de bijbehorende onderbouwing. “Dit product maakt je gelukkig” is zelden een toetsbare uitspraak in strikte zin, omdat de claim meestal vaag blijft (wat is “gelukkig”, voor wie, wanneer, onder welke omstandigheden?) en daardoor praktisch niet-falsifieerbaar wordt.
Het verschil met religie is dat marketing meestal geen totaalbeeld van de werkelijkheid claimt, maar een effect: ‘dit werkt’.. Ze beloven effectiviteit: een effect op gevoel, status, aantrekkelijkheid, rust, succes. Precies daarom zouden ze toetsbaar móéten zijn—maar in de praktijk verschuift marketing naar associatie, framing en emotie, terwijl bewijs beperkt blijft tot anekdotes, selectieve testimonials of niet-reproduceerbare ‘studies’.
Veel van deze claims zijn dus niet primair “onwaar”, maar epistemisch goedkoop. Ze zijn overtuigend geformuleerd, maar zo vaag, afgeschermd of immuun gemaakt, dat toetsing nauwelijks mogelijk is. Ze maximaliseren overtuiging en minimaliseren toetsbaarheid. Het resultaat is voorspelbaar: hogere kans op misleiding, zeker wanneer er een directe commerciële prikkel is. Het klassieke marktbeeld is het flesje “wonderwater”: geen expliciet falsifieerbare belofte, wel een aura van werking.
Gezamenlijk probleem
Bij niet-toetsbare (of doelbewust niet-falsifieerbaar gemaakte) claims ontbreekt een neutrale, intersubjectieve beslisregel om tussen botsende waarheden te kiezen. Dan wint zelden de best onderbouwde claim, maar de best verspreide: degene met het meeste budget, de slimste framing, of de sterkste groepsidentiteit.
Nuance: er bestaan correctiemechanismen (wetenschap, toezicht, consumentenrecht), maar die werken alleen als claims voldoende precies, traceerbaar en corrigeerbaar zijn. En precies daar wringt het. Denk aan de reclame-disclaimers als: “in afwachting van Europese toelating” of “resultaten kunnen variëren”. Zo’n zin is in de praktijk een semantisch luchtkussen: hij houdt de belofte overeind in de beleving, terwijl hij tegelijk erkent dat de claim nog niet als publiek gevalideerde werkzaamheid mag worden gepresenteerd. Met andere woorden: de marketing oogst het vertrouwen, terwijl de bewijslast (nog) buiten beeld blijft… Dat is de nette manier om te zeggen: “geloof het gerust, maar hang ons er niet aan op als het niet werkt.”
Waar wetenschap pas claimt wat standhoudt, claimt marketing wat verkoopt: plausibiliteit krijgt voorrang op toetsbaarheid.
V. Wanneer privé-waarheid publieke norm wil zijn
Het wordt maatschappelijk onhoudbaar wanneer een waarheid die alleen binnen één gesloten systeem overtuigend is, wordt opgeëist als algemeen geldende norm.
Enkele typische botsingsvelden:
1. Onderwijs
Als een school evolutie weigert te doceren omdat een heilig boek iets anders zegt, wordt een niet-toetsbare waarheid in de plaats gezet van toetsbare kennis.
Gevolg: leerlingen verliezen toegang tot de publieke taal en discussies en modellen die nodig zijn om mee te draaien in wetenschap, techniek en economie.
2. Gezondheidszorg
Als ouders uit religieuze overtuiging een bewezen medische behandeling voor hun kind weigeren (bijvoorbeeld een bloedtransfusie), botst niet-toetsbare waarheid met toetsbare medische kennis.
- Voor volwassenen kan autonomie leidend zijn
- Voor kinderen schuift de weegschaal naar bescherming van het recht op leven
3. Publieke functies en discriminatie
Als iemand in een publieke rol (bijvoorbeeld als raadslid of ambtenaar) anderen geen basisrespect wil tonen omdat zijn religieuze of ideologische waarheid hun identiteit afwijst, schuurt een particuliere norm met publieke gelijkwaardigheid.
In al deze gevallen is het probleem niet dát deze overtuigingen bestaan, maar dat ze de publieke waarheidsdrempel niet halen—ze zijn onvoldoende toetsbaar, corrigeerbaar of intersubjectief —en willen toch aanspraak maken op publieke geldigheid: ze willen beleid, normering of collectieve gehoorzaamheid legitimeren alsof ze voor iedereen bindend zijn.
VI. Pseudo-toetsbaarheid en AI
In moderne samenlevingen ontstaat een nieuwe laag van verwarring over waarheid: pseudo-toetsbaarheid. Die doet zich voor wanneer iets de vorm van betrouwbaarheid heeft, zonder de inhoudelijke garanties daarvan. Denk aan applicaties op je Tablet of PC die precisie suggereren zonder methodische verantwoording. Of aan modellen die voorspellen zonder dat de gebruiker zicht heeft op aannames, beperkingen of validiteit. Maar nergens is die pseudo-toetsbaarheid zo diepgaand als bij AI!
Grote taalmodellen zoals ChatGPT genereren overtuigende tekst op basis van statistische patronen in trainingsdata — niet op basis van waarneming, metingen of experimenten. Wat zij produceren, is dus onvermijdelijk context- en bronafhankelijk. En omdat die data vrijwel altijd selectief, scheef verdeeld of ideologisch gekleurd zijn, kan het model die kleur reproduceren als ogenschijnlijk neutrale uitleg. Het gevolg: niet-toetsbare aannames — impliciete waarden, frames, stereotypen — presenteren zich in een quasi-wetenschappelijke toon. In die context wordt waarheid een verdwijnpunt in een chaotisch landschap… Alles klinkt waar, niets hoeft het te zijn — zonder helder ijkpunt, zonder gedeelde criteria.
Voor de gebruiker die snelheid boven nauwkeurigheid stelt, voelt zo’n output al snel als waarheid: coherent, stellig, netjes gestructureerd. Maar de overtuigingskracht is retorisch, niet empirisch. Zolang we het model niet actief bevragen — naar bronnen, onzekerheidsmarges, alternatieven of falsifieerbare consequenties — verandert het van hulpmiddel in een waarheids-simulator: het levert taal die op kennis lijkt, maar toetsing ontbreekt volledig.
Wat betekent dat concreet?
We bevinden ons in een tijd waarin AI razendsnel teksten produceert die ogen als expertise. Ze klinken overtuigend, ze dragen de toon van gezag, en ze wekken vertrouwen. Maar onder dat gladde oppervlak schuilt vaak schijnzekerheid. De onderbouwing is afwezig, of verscholen in een ondoorzichtige black box. Soms blijkt die zelfs gebaseerd op hallucinaties: verzonnen feiten, fictieve bronnen, foutieve redeneringen. En wat je níét ziet — de aannames, de leemtes, de onzekerheden — is minstens zo bepalend als wat er wel staat.
En juist dát maakt de impact van AI zo fundamenteel. Want als systemen geen onzekerheid communiceren, tenzij je daar expliciet om vraagt, ontstaat een nieuwe taalomgeving waarin alles zich presenteert als feit — zelfs wanneer het dat niet is. De gevolgen zijn diepgravend. We zien een inflatie van claims die klinken als expertise, maar geen toetsbare kern hebben. Dat zaait verwarring: wat is nog onderbouwd, en wat is slechts geloofwaardig verpakt? Het publiek raakt het spoor bijster. En dat tast niet alleen het vertrouwen in AI aan, maar ook in kennisproductie als geheel — inclusief de wetenschap.
In dat vacuüm krijgen andere krachten vrij spel: actoren die juist floreren in mistige omstandigheden. Onduidelijkheid wordt strategie. Vage claims en ambigu taalgebruik krijgen nieuwe legitimiteit, verpakt in de aura van technologie. Daarom dwingt AI ons tot een onderscheid dat we lang impliciet mochten laten: Wat is in deze output feitelijk toetsbaar — en wat niet? We kunnen niet langer vertrouwen op vorm of toon. Alleen met kritische vragen — Waarop is dit gebaseerd? Hoe zou ik dit kunnen weerleggen? — houden we grip op het verschil tussen echt weten en gegenereerde plausibiliteit. En in die wereld raken we het kompas kwijt dat waarheid van schijn kan onderscheiden.
VII. Drie criteria voor publieke waarheid
NB: In deel 1 (blog 173) introduceerde ik het idee van een publieke waarheidsdrempel: het minimale niveau van toetsbaarheid dat een waarheidsclaim moet halen om in een pluriforme samenleving te kunnen functioneren als collectieve norm. Wat volgt is een verdere uitwerking van dat concept. Sommige elementen zullen bekend voorkomen, maar worden hier systematischer uitgelegd of toegepast — met name op de rol van wetenschap, ideologie en AI in ons publieke waarheidsbegrip.
Voor waarheidsclaims die willen dienen als basis voor beleid, wetgeving en collectieve besluitvorming, zijn drie criteria noodzakelijk:
1. Verifieerbaarheid
Je moet in principe kunnen nagaan of een claim klopt:
- via metingen
- via logische analyse
- via observeerbare consequenties
Voorbeeldcontrasten:
✓ “Roken verhoogt het risico op longkanker” → statistisch aantoonbaar
✗ “Homoseksualiteit is zonde” → moreel oordeel, niet empirisch testbaar
✓ “Vaccins verminderen infecties” → gecontroleerde trials, data
✗ “Vaccins zijn ingrijpen in Gods plan” → religieuze overtuiging
✓ “CO₂ houdt warmte vast” → fysica, meetbaar
✗ “God bestuurt het klimaat” → geloofsuitspraak
Waarom dit belangrijk is: We bouwen bruggen volgens natuurwetten, niet volgens gebeden. Niet omdat we niet in God geloven, maar omdat natuurwetten voorspelbare resultaten leveren.
2. Convergentie
Onafhankelijke mensen, met verschillende achtergronden, moeten bij dezelfde methode tot vergelijkbare conclusies kunnen komen.
Voorbeelden:
✓ Twee wetenschappers die hetzelfde experiment doen → vergelijkbare uitkomst
✗ Twee gelovigen die dezelfde tekst lezen → vaak uiteenlopende interpretaties
✓ Twee rechters die dezelfde wet toepassen → via jurisprudentie voorspelbare bandbreedte
✗ Twee ideologen, dezelfde theorie → verschillende toepassing
Scherpe analyse met data:
Het Center for the Study of Global Christianity (Gordon-Conwell) rapporteert – met een specifieke telmethode – circa 45.000 christelijke denominaties. Allemaal claimen ze dezelfde Bijbel te volgen, dezelfde God te aanbidden. Als religieuze waarheid objectief was zoals wiskundige waarheid, zouden ze tot dezelfde conclusies komen.
Dat doen ze niet.
Dat bewijst niet dat God niet bestaat. Maar het bewijst wel dat religieuze waarheid niet functioneert zoals wetenschappelijke waarheid.
3. Universele bruikbaarheid
De claim moet werken voor iedereen, óók voor wie de achterliggende overtuiging niet deelt.
Voorbeelden:
✓ Wiskunde werkt voor iedereen, ongeacht geloof
✗ Religieuze kalender werkt alleen binnen gemeenschap
✓ Verkeersregels werken voor iedereen, ongeacht ideologie
✗ Religieuze gedragsregels werken alleen voor aanhangers
✓ Medische kennis werkt ook bij patiënten die de biologie niet begrijpen
✗ Gebed als medische interventie levert geen reproduceerbare, controleerbare uitkomsten; de STEP-trial vond geen voordeel, en “zekerheid van gebed” correleerde met méér complicaties
Scherp met empirie: Als binden even effectief was als medicijnen, zouden ziekenhuizen kapellen zijn en geen laboratoria. Dat zijn ze niet. Niet omdat dokters niet geloven, maar omdat medicijnen werken en gebeden niet – in meetbare, reproduceerbare zin.
Niet-toetsbare waarheden falen per definitie op één of meer van deze punten. Dat maakt ze niet waardeloos, maar ongepast als basis voor dwang die iedereen raakt.
VIII. Eén concrete case: Bloedtransfusie
Situatie: Jehova’s getuige weigert bloedtransfusie voor 8-jarig stervend kind.
Argumenten ouder:
- “God verbiedt bloed” (Leviticus 17:14, Handelingen 15:29)
- “Geloof belangrijker dan aards leven”
- “Ouderlijke rechten”
Toets aan drie criteria:
Verifieerbaarheid:
- Religieus verbod: nee (geloofsuitspraak)
- Medische noodzaak: ja (kind sterft zonder transfusie; medische evidentie en praktijk)
Convergentie:
- Religieus verbod: nee (specifieke interpretatie binnen specifieke groep)
- Medische consensus: ja (breed, institutioneel, corrigeerbaar)
Universele bruikbaarheid:
- Religieus verbod: nee (werkt alleen binnen de overtuiging; leidt tot onomkeerbaar verlies)
- Transfusie: ja (werkt ook voor wie de onderliggende biologie niet “gelooft”)
Oplossing:
“Volwassene mag voor zichzelf weigeren (autonomie). Kind heeft eigen recht op leven. Staat mag ingrijpen (kinderbescherming).”
Scherp maar respectvol: Jouw geloof mag jou tot martelaar maken. Het mag jouw kind niet tot slachtoffer maken.
Een 8-jarige kan niet instemmen met religieus geïnspireerde zelfopoffering.
Als je kind 18 is en zelf kiest: prima. Tot die tijd beschermt de staat kinderrechten boven ouderlijke religieuze overtuiging.
IX. Conclusie: de grens tussen privé en publiek
De kernstelling van dit deel is eenvoudig:
Niet-toetsbare waarheid mag bestaan, bloeien en betekenis geven – als persoonlijke of groepsgebonden overtuiging.
Toetsbare waarheid hoort de basis te zijn voor wetten, beleid, onderwijs en zorg – overal waar beslissingen iedereen raken, óók wie de achterliggende metafysica niet deelt.
De praktische regel:
- In je privéleven mag je geloven wat je wilt.
- Zodra je andermans rechten of kansen wilt beperken, gelden strengere eisen: verifieerbaarheid, convergentie en universele bruikbaarheid.
Dat is zeker geen aanval op geloof of ideologie, het is een voorwaarde om pluriformiteit te beschermen, want zodra één niet-toetsbare waarheid publieke norm wordt, rijst meteen de vraag: welke dan, en waarom precies die? Dan wint niet de beste argumentatie, maar de grootste groep, de hardste schreeuwer of de machtigste partij. Dus daar kun je als idealist, gelovige of anderszins, vervolgens dus ook de dupe van zijn. Die bescherming geldt dus wederzijds voor alle groeperingen. Bescherming en veiligheid ‘kosten’ natuurlijk iets en dat is dat we bescherming bieden aan de toetsbare-publieke-waarheid. Die geldt namelijk voor iedereen.
De enige manier om een samenleving met meerdere waarheidsregimes bij elkaar te houden, is deze nuchtere afspraak:
- Voor publieke zaken gebruiken we alleen waarheden die we gezamenlijk kunnen toetsen en corrigeren.
- Voor zingeving, geloof en identiteit houden we de ruimte radicaal vrij – zolang die vrijheid niet ten koste gaat van de basisrechten van anderen.
Dat is geen relativisme (“alles is even waar”) en ook geen atheïsme (“religie is onzin”), maar pragmatisch realisme: de minimale architectuur die nodig is om een pluriforme democratie overeind te houden.
Volgende week (deel 3): xxxxx
Jeroen Teelen
18 december 2025

Plaats een Reactie
Meepraten?Draag gerust bij!